Geschiedenis van Stichting Lodewijk de Raet

“groeien, vallen en weer opstaan”


Tekst gebaseerd op teksten van
Eva Schandevyl
Renaat Roels

Herman Lauwers



De oprichting van de organisatie 1

Lodewijk de Raet (Brussel, 1870 - 1914) was met zijn sociologische en economische studies een belangrijk vernieuwer geweest in de Vlaamse Beweging rond de eeuwwisseling. Hij bracht er de dimensie binnen van economische emancipatie, naast de taal- en cultuurontvoogding. Zijn idee van volksontwikkeling beoogde de Vlaamse bevolking in staat te stellen om de omschakeling naar een industriële samenleving te maken: democratische betrokkenheid en inzicht in de maatschappelijke evoluties, technische bijscholing, bewustzijn van het belang van technisch en hoger onderwijs.

  Stichting Lodewijk de Raet werd bij Koninklijk
  Besluit van 14 oktober 1952 opgericht als
  instelling van openbaar nut. In de
  oorspronkelijke statuten lezen we : “De
  Stichting Lodewijk de Raet heeft tot voorwerp
  het beheer en het bestuur van een instelling
  voor volksopleiding en studie, die aan
  volwassen Vlamingen, met het oog op de
  ontplooiing van hun volkskracht, de
  vernieuwing  van de volkscultuur en het  
  ontwikkelen van hun besef van
  samenhorigheid, gelegenheid tot  vorming
  en tot bezinning wil verstrekken, ten
  aanzien van culturele, maatschappelijke,
  economische en staatkundige problemen in de
  geest en volgens de methode van de
  volkshogescholen”

Dat (Scandinavische) idee van volksontwikkeling  werd door de initiatiefnemers van Stichting Lodewijk de Raet een halve eeuw later overgenomen. Dit gebeurde in een maatschappelijke context, getekend door de Tweede Wereldoorlog, Vlaamse achterstand en ideologische verdeeldheid in het kader van de schoolkwestie. Het was de betrachting van de oprichters Maurits Van Haegendoren en Max Lamberty om in deze context een ontmoetingsforum te creëren waar, over de bestaande breuklijnen heen en dwars door de structuren van de verzuiling, katholieken én vrijzinnigen zouden samenkomen, om een dynamiek te ontwikkelen naar een Vlaamse culturele en economische gemeenschap.

Stichting Lodewijk de Raet bood van in het begin een pluralistisch alternatief overlegmodel  in een verzuilde en verdeelde Belgische context. Zij was op dit vlak een voortrekker. Maar Stichting Lodewijk de Raet was natuurlijk vooral het product van het engagement van een aantal mensen.

Ten eerste was er Maurits Van Haegendoren (Leuven, 1903-1994), historicus, archivaris bij het Algemeen Maurits Van HaegendorenRijksarchief, later professor aan het Hoger Instituut voor Bestuurs- en Handelswetenschappen te Brussel, en in de jaren 1968-1977, na zijn ontslag uit Stichting Lodewijk de Raet, ook gecoöpteerd senator voor de Volksunie. Van Haegendoren had voordien al het Vlaams Verbond van Katholieke Scouts opgericht. En reeds in 1950 startte hij de eerste volkshogeschool in Vlaanderen.

De tweede initiatiefnemer was Max Lamberty (Brussel, 1893-1975) – een neef van Lodewijk de Raet – die na een laattijdig doctoraat in de sociale wetenschappen, hoogleraar sociologie werd aan het Universitair Instituut voor Overzeese Gebieden te Antwerpen (1945), later aan de Koninklijke Militaire School (vanaf 1956) en in 1962 mede-oprichter en Voorzitter werd van het Centrum voor Andragogisch Onderzoek voor de studie van volwassenenvorming en cultuurbeleid.

Van Haegendoren was katholiek, Lamberty was vrijzinnig. Maar samen geloofden ze in vorming en in samenwerking tussen gelovigen en vrijzinnigen.  Ze slaagden erin om markante figuren uit de twee levensbeschouwelijke kampen in hun bestuur te krijgen – een huzarenstuk in die tijd. Een ding is duidelijk: Van Haegendoren had van in het begin reeds een concept in zijn hoofd wat een volkshogeschool in en voor Vlaanderen moest en kon worden, en hij kon de medewerkers vinden en motiveren die hem daarbij konden helpen. Max Lamberty was de partner die hij nodig had om de zaak politiek en ideologisch rond te krijgen. Ze konden o.m. Herman Baeyens in het bestuur betrekken. Die kende vele Vlaamse bedrijfsleiders en zorgde voor een orthodox financieel beleid dat duurzaamheid gaf aan de organisatie.


De jaren 50: de pioniersfase

Tussen de ontmoeting van beide oprichters op het Algemeen Vlaams Congres van 1949, de oprichting van de vzw Vlaamse Volkshogeschoolcursussen door Maurits Van Haegendoren en de eerste volkshogeschoolcursus in augustus 1950 te Hofstade ligt nauwelijks een jaar.

Tweeëneenhalf jaar later, toen Stichting Lodewijk de Raet werd opgericht, eind 1952, had Van Haegendoren met zijn eerste cursusleiders reeds 16 residentiële cursussen van een week, 16 studieweekeinden en 3 studiereizen georganiseerd voor een totaal van 149 cursusdagen en 1.713 deelnemers! Men hoeft niet veel ervaring te hebben met organiseren om te beseffen wat dit resultaat veronderstelt aan inspanningen om financiële middelen te werven, aan investeren in het eerste administratief personeel en kantoorruimte, aan zoeken naar en motiveren van vrijwillige cursusleiders en sprekers, terwijl er van een overheidsbeleid voor volksontwikkelingswerk en subsidies in 1950 nog lang geen sprake was.

De hele jaren vijftig werd op dit elan verder gewerkt.


De jaren ’60: de eerste professionele uitbouw

De pioniersfase duurde ongeveer tot in 1959, toen er genoeg middelen waren om een eerste stafmedewerker aan te stellen. Het secretariaat verhuisde in 1959 van de Coudenberg 68 (in Brussel) naar de Coudenberg 72. Vier jaar later, in 1963, verhuisde het secretariaat naar de Kanselarijstraat wegens de toename van het aantal activiteiten en personeelsleden.

Dit was een gevolg van de systematische uitbouw van de regionale werking.  In ieder arrondissement werd een pluralistisch samengesteld regionaal comité opgericht van mensen uit verschillende maatschappelijke sectoren (gemeentebesturen, onderwijs, culturele, sociale en economische organisaties, e.a.) die bereid waren Stichting Lodewijk de Raet te helpen in de streek ieder jaar een paar studieweekeinden over algemene thema’s te organiseren en zelf ook over eigen streekproblemen studiedagen voor te breiden en te houden. De eerste waren gericht op het bereiken van een mentaliteitsverandering, de laatste waren bedoeld om het pluralistisch samenwerken voor de oplossing van streekproblemen te stimuleren.

In de jaren vijftig was door de praktijk reeds aangetoond dat Stichting Lodewijk de Raet in het Vlaamse land over toenemende sympathie en steun mocht rekenen van mensen uit allerlei kringen die inzagen dat het wegwerken van de Vlaamse achterstand en achterstelling slechts kon ongedaan gemaakt worden door meer pluralistisch gesprek, verstandhouding en samenwerking.

De wet op de regionaal-economische ontwikkeling (1958) van de regering Gaston Eyskens, de wet op de Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw (1960) van Minister Omer Van Audenhove, de strijd voor de culturele autonomie met als eerste stap een Minister voor Nederlandse Cultuur (Ministers Van Elslande en Frans Van Mechelen) waren krachtige impulsen om de opkomende Vlaamse generaties te motiveren voor maatschappelijke vernieuwing.

De oprichting van de regionale comités bleek geen probleem. In enkele jaren tijd had Stichting Lodewijk de Raet 27 regionale comités met gemiddeld een 15-tal leden; dat maakt in totaal een vierhonderd leden.

Tevens werden de residentiële cursussen uitgebouwd. De programmering werd toevertrouwd aan de besturen of stuurgroepen van het Centrum voor Creatief Werk en Spel (vooral gericht op vernieuwing van onderwijs en jeugdwerk), het Kadercentrum voor Cultureel Werk, gericht op kadervorming voor het sociaal-cultureel werk met volwassenen, en de Europese Volkshogeschoolreizen  opgevat als ‘reizende volkshogeschool ter ‘Kennismaking met Land, Volk en Cultuur’ met ook Landbouwreizen verzorgd door het Agrarisch Comité. Ook de cursussen ‘Bedrijfskadervorming’ kregen een eigen stuurgroep. Deze interne decentralisatie ondersteunde de kwalitatieve en kwantitatieve uitbouw. Het Centrum voor Andragogisch Onderzoek, als vzw in 1963 opgericht in samenwerking tussen Stichting Lodewijk de Raet en enkele hoogleraren en hoge ambtenaren, had op deze ontwikkeling een sterke invloed.


De jaren ‘70 : ontplooiing, emancipatie, democratisering

Begin der jaren ’70 heeft Stichting Lodewijk de Raet als organisatie een zekere maturiteit bereikt. Maar de sterk veranderende maatschappelijke context en het nieuwe cultuurbeleid van de prille Vlaamse overheid  nopen Stichting Lodewijk de Raet tot heroriëntering en herstructurering.

De maatschappij onderging in die jaren een grondige verandering. Na de gouden jaren ‘60 brak in 1974 een  economische crisis uit die tien jaar lang zou duren. De uit de hand lopende hoge inflatie van die jaren maakte de regionale werking steeds duurder.

Het is tijd voor maatregelen die de efficiëntie en effectiviteit van Stichting Lodewijk de Raet bevorderen.

Alle medewerkers van Stichting Lodewijk de Raet, vrijwilligers en beroepskrachten, worden opgeroepen tot een ‘Beraad’. Uit dit overleg ontstaat de zgn. ’Zwarte Brochure’ met als titel ‘Vormingsbehoeften en vormingswerk in deze tijd’ waarin de beleidslijnen van Stichting Lodewijk de Raet voor de komende jaren worden vastgelegd.

Om meer maatschappelijk effect te bereiken wordt het werken aan maatschappelijke doelstellingen, vastgelegd in een eerste vijfjarenplan, toevertrouwd aan projecten onder leiding van een eigen stuurgroep en een stafmedewerker. Die komen in de plaats van de afzonderlijke vzw’s, waardoor het administratief werk vereenvoudigt, de besluitvorming versoepelt en de efficiëntie verbetert.

Op landelijk vlak wordt aldus meer gericht gewerkt met nieuwe werkvormen en meer actiegericht. Dat komt ook ten goede aan de regionale comités. De projecten ‘Bescherming en vormgeving van het leefmilieu’, ‘Vlaanderen in en rond Brussel’, ‘Emancipatie van de vrouw’, ‘Gemeente en Participatie’ en het Onderwijsproject kwamen tot stand. Zij zijn voorbeelden van geslaagde projecten die jarenlang zijn doorgegaan.

Maar het is het overheidsbeleid dat bepalend zal zijn. In 1974 was men begonnen met de voorbereiding van een decreet voor erkenning en subsidiëring van de instellingen voor sociaal-cultureel vormingswerk met volwassenen. Daar hadden de vormingsinstellingen zelf om gevraagd. Maar de economische crisis had uitstel tot gevolg en het decreet zou eerst in 1978 tot stand komen. Inmiddels waren de grote lijnen van het ontwerp van decreet bekend geraakt en nieuwe initiatieven begonnen er zich op voor te bereiden. Zo wist men dat het decreet het werken met langduriger cursussen sterk zou aanmoedigen. Stichting Lodewijk de Raet besloot dan ook in zijn vijfjarenplan 1975-1979 samen met de regionale comités provinciale volkshogescholen op te richten. Die zouden zich toeleggen op enerzijds ‘basiscursussen algemene vorming’ in reeksverband met de bedoeling een breder publiek te bereiken door de cursussen dichter bij huis aan te bieden. Anderzijds zouden zij de begeleiding van de regionale comités op zich nemen.

Het decreet over het sociocultureel werk van 1978 nam een valse start. Door de lage drempel van 1.000 vormingsuren dienden meer nieuwe vormingsinstellingen erkend dan verwacht, maar voor de subsidiëring bleek daar onvoldoende geld voor te zijn. In 1980 besloot de minister van Cultuur geen bijkomende aanwervingen van personeel meer te subsidiëren, maar wel nog nieuwe instellingen te erkennen. Die situatie zou duren tot 1995. Voor Stichting Lodewijk de Raet betekende dit dat alle vijf regionale volkshogescholen werden erkend, maar ook dat het aantal gesubsidieerde stafmedewerkers beperkt bleef tot twee. Die bleken met het realiseren van 1.000 vormingsuren de handen vol te hebben en de ondersteuning van de regionale comités er niet bij te kunnen nemen. Zo kwam aan de werking van die comités helaas een einde, tot grote ontgoocheling van de vele vrijwilligers ervan.

Dat betekende evenwel niet het einde van de inspanningen van Stichting Lodewijk de Raet op het plaatselijke vlak. Het project ‘Gemeente en Participatie’ werd uitgebreid. De aandacht verschoof van de streeksamenleving naar het gemeentelijk vlak, met  het stimuleren van de oprichting van gemeentelijke adviesraden en van andere vormen van beleidsinformatie en inspraak.  Stichting Lodewijk de Raet begon met de begeleiding van de oprichting van gemeentelijke culturele raden in 1965. Het model werkte aanstekelijk en de volgende jaren zag men de oprichting van vele Jeugdraden, Sportraden, Raden Derde Leeftijd en Gezinsraden, later ook Milieuraden e.a.
De BronGrote vooruitgang maakt Stichting Lodewijk de Raet in deze periode ook op gebied van de materiële infrastructuur. In 1973 slaagt zij erin van de gemeente Kessel-Lo bij Leuven een in het groen gelegen gebouw te huren en als residentieel volkshogeschoolgebouw onder de benaming ‘De Bron’ in te richten. Het aantal internaatscursussen was in 1973 gestegen tot 72 en een eigen accommodatie hiervoor was onontbeerlijk geworden.

In 1978 koopt en renoveert zij ook een gebouw aan de Liedtsstraat te Schaarbeek-Brussel met voldoende ruimte voor de administratieve en educatieve staf en met geschikte ruimten voor vergaderingen en cursussen.


De jaren ‘80: de generatieve periode

In de jaren ’80 ontstaan uit Stichting Lodewijk de Raet zeven zelfstandige vormingsinstellingen. Na de Jeugddienst voor Maatschappelijke Participatie worden tussen 1979 en 1982 de vijf regionale volkshogescholen als zelfstandige vormingsinstellingen erkend. In 1983 wordt De Wakkere Burger verzelfstandigd. Om de communicatie en coördinatie tussen de moeder-instelling en haar zelfstandig geworden kinderen te bevorderen wordt in 1986 het Samenwerkingsverband Stichting Lodewijk de Raet opgericht.

Ongetwijfeld was deze confederatieve structuur een dure aangelegenheid door toename van het aantal vergaderingen van de betrokken besturen, maar zij verzekerde ook meer stabiliteit voor de jonge vzw’s en tevens betere aanpassing aan de verscheidenheid van de regio’s. De pogingen tot samenwerking op landelijk vlak in de vorm van landelijke projecten hebben evenwel geen blijvende resultaten opgeleverd.

De Wakkere Burger was de voortzetting van het project ‘Gemeente en Participatie’ van de jaren ’60-‘70 die culmineerde in de voorbereiding van de gemeenteraadsverkiezingen van 1982 met de uitgave van het tijdschrift ‘De Wekker’ en als apotheose de grote Wakkere Burger manifestatie in de Oude Beurs te Antwerpen.  Na de gemeenteraadsverkiezingen werd besloten door te gaan en werd de vzw De Wakkere Burger opgericht. Hoewel de subsidiëring door de overheid zeer karig is gebleven gedurende vele jaren, slaagde De Wakkere Burger er toch in een dynamische werking te ontplooien inzake de begeleiding van gemeentelijke adviesraden, van informatie- en inspraakprojecten. Tevens droeg de vzw door haar tijdschrift Ter-Zake, andere publicaties, studiewerk en studiedagen bij tot de theorievorming over Openbaarheid van Bestuur en een burgergericht gemeentebeleid.

Het onderwijsproject werkte met beperkte mankracht aan beleidsgerichte colloquia en steeds meer in de scholen gesitueerde studiedagen en teambegeleiding. De deskundigheid van de staf creatieve expressie kwam tot uiting in de systematische opleidingen en methodiektrainingen op gebied van dans- en bewegingsexpressie, spelmethodiek en drama. De eerste cursussen op gebied van taalvorming en creatief schrijven wijzen op een blijvende vernieuwingsdrang. De dienst Mens-Groep-Organisatie organiseerde nieuwe cursussen voor sociaal-psychologische ontwikkeling. 

In de tweede helft van de jaren ‘80 werd reeds duidelijk dat Stichting Lodewijk de Raet aan een grondige bezinning toe was over de oriëntatie van haar landelijke werking. In het derde vijfjarenplan 1985-1989 werd daarom voorgesteld haar door de statuten opgelegde functie van pluralistisch Gesprekscentrum over belangrijke maatschappelijke problemen en beleidskeuzen opnieuw te activeren. Het opzet werd echter te ambitieus beoordeeld in verhouding tot de beschikbare middelen en de bestaande belasting van de staf. Het voorstel werd wel aanvaard nadat het beperkt werd tot de organisatie van landelijke colloquia, dus zonder  plaatselijke gespreksgroepen. In de volgende jaren werden dan ook een reeks colloquia gehouden.



De jaren ’90: voortgezette aanpassing aan de postmoderniteit en het steeds wisselende overheidsbeleid

In deze jaren breken de maatschappelijke en culturele veranderingen die zich reeds in de jaren ’80 aankondigden, volop door. Op economisch gebied worden zij aangeduid met ‘Thatcherisme’ en ‘Reaganomics’ (privatisering van overheidsdiensten, deregulering, globalisering), op technologisch gebied met  de ‘ICT-revolutie’ oud logo Stichting Lodewijk de Raet(geïnformatiseerde productie, telecommunicatie, internet). Op sociaal en cultureel gebied volgt individualisering, schaalvergroting, vermarkting , mediatisering en uniformisering van cultuurgoederen e.a.
Dit nieuwe denken dringt het overheidsbeleid binnen, ook het cultuurbeleid.  Het sociaal-cultureel vormingswerk moet zijn maatschappelijk nut bewijzen met cijfers, het tanende verenigingsleven wordt bijna uitsluitend als een verzuilingsmechanisme bekeken, vorming moet op individuele ontplooiing gericht zijn . De kunstensector krijgt de voorkeur want de massale zichtbaarheid  is aantrekkelijk voor reclame en sponsoring en als glijmiddel voor economische citymarketing en internationale promotie.

In 1995 wordt het nieuwe decreet voor het sociaal-cultureel werk aangenomen. De erkenningsvoorwaarden voor de vormingsinstellingen worden strenger : voortaan gelden 3.000 i.p.v. 1000 vormingsuren voorheen. Deze schaalvergroting heeft tot gevolg dat de regionale volkshogescholen (met een productie van 1.000 tot 1.500 vormingsuren) niet meer als autonome instellingen kunnen erkend blijven. Zij kiezen er voor opnieuw met Stichting Lodewijk de Raet te fuseren omwille van de verwachte synergie.

Zes maanden later echter besluit een nieuwe minister dat er onvoldoende geld is om dit decreet te kunnen realiseren en besluit hij de subsidiebedragen van de instellingen te bevriezen op het niveau van het jaar 1994. Deze toestand blijft gelden tot en met het jaar 2002, met voor Stichting Lodewijk de Raet een verlies van vele miljoenen frank tot gevolg.

Toch ging het Gesprekscentrum nog enkele jaren door met het organiseren van landelijke colloquia. Het colloquium over ‘De Derde Fase van de Staatshervorming’ met deelname van een keurschaar van hoogleraren en met de meest vooraanstaande politici werd door de toenmalige Senaatsvoorzitter F. Swaelen van historische betekenis beschouwd. Maar in 1995 diende de werking van het Gesprekscentrum toch stopgezet.

Helaas diende Stichting Lodewijk de Raet Lodewijk de Raet in 1993 ook haar residentieel volkshogeschoolgebouw De Bron te Leuven op te geven. 

Het Onderwijsproject was zeer succesvol in deze periode met de colloquia over onderwijsbeleid en de cursussen ‘navorming van leerkrachten’.

Ook de deelstaf ‘Kunstzinnige Vorming’ hield goed stand. De sector ‘creatief schrijven en taalvorming’ kende veel succes. Vernieuwend werkte de combinatie van het creatief schrijven met  biografie als vormingsmethode.

Eenzelfde vernieuwing kwam tot uiting in de sector van de cursussen Voorbereiding op Pensioen die verruimd werd met cursussen levens- en loopbaanplanning. De dienst Mens Groep Organisatie (MGO)ontwikkelde een specialisatie inzake ‘Leiding geven’ en nieuwe cursussen die aansluiten bij maatschappelijke en culturele veranderingen in de relationele sfeer en in de werksfeer van social-profit organisaties.

Uit deze voorbeelden mag blijken dat voortdurende bezinning over de eigen werking en het bezig zijn met vernieuwing in het vormingswerk met volwassenen ook kan zonder een bureaucratisch systeem van kwaliteitszorg.


De jaren 2000: een verplichte inperking en de heropstanding

In 1999 kondigde de minister van Cultuur een grondige herziening van de sector aan en een volledige vervanging van het decreet van 1995. Deze derde decretale reorganisatie wilde de kwaliteit van het sociaal-cultureel vormingswerk verhogen door strikte beleidsplanning en evaluatie in ruil voor meer middelen.  Dat werd vastgelegd in het decreet van 4 april 2003.

Het brede pionierswerk van Stichting Lodewijk de Raet werd decretaal verankerd in 13 regionale volkshogescholen, Vormingplus genaamd. De landelijk georganiseerde instellingen werden erkend voor één gespecialiseerd thema. “Stichting Lodewijk de Raet” – de eerste Vlaamse Volkshogeschool - moest zich voor haar erkenning dus beperken tot  één inhoudelijk thema.  De organisatie kreeg twee jaar de tijd om zich om te vormen tot een gespecialiseerde Vormingsinstelling rond het thema “Functionele vorming  met het oog op sociale participatie in het kader van actief burgerschap”, omdat dit thema aansloot bij een deel van de vroegere activiteiten rond participatiebevordering en persoonsontwikkeling. Ze werd erkend en betoelaagd voor 1.750 vormingsuren. De andere activiteiten van Stichting Lodewijk de Raet –  zoals de kunstzinnige vorming, het onderwijsproject, het gesprekscentrum, de educatieve reizen – werden niet langer betoelaagd.

Een ander gevolg was dat Stichting Lodewijk de Raet zich verplicht zag om haar eigendom aan het Liedtsplein in Brussel te verkopen en alle personeel te concentreren in haar nieuwe accommodatie in Gent, waar voorheen de Oost-Vlaamse volkshogeschool van Stichting Lodewijk de Raet huisde.

De terugkeer, in 2005, van een oud-medewerker als nieuwe directeur gaf uitzicht op een nieuwe start. In het Beleidsplan 2006-2009 werd het thema ‘sociale participatie in het kader van actiefburgerschap’ verdiept en omgezet in operationele doelstellingen. Daardoor slaagde Stichting Lodewijk de Raet erin haar vormingsuren uit te breiden tot bijna 2750 in 2008, waarvan ruim 2000 voldeden aan de definiëring van het decreet. Haar actieterrein verbreedde naar niet-gesubsidieerde terreinen: de vorming op vraag van organisaties, overheden, instellingen, bedrijven. Deze verbreding was niet enkel financieel noodzakelijk, maar beantwoordde ook aan de verschuiving van de vraag naar vorming, training en begeleiding ‘in vivo’: van de cursusplek naar het concrete actieveld, van het individu naar de groep, de vereniging, het bedrijf, de woonblok, de gemeenschap. Jammer was dat de zeer gewaardeerde culturele groepsreizen van Stichting Lodewijk de Raet moesten worden stopgezet, omdat de financiering onhoudbaar werd.

Na die eerste volledige beleidsperiode (jaar 2006 tot 2009) onder het nieuwe decreet kreeg Stichting Lodewijk de Raet een zeer waarderend evaluatierapport van de Vlaamse Overheid.


Vandaag

In 2012 telde de organisatie naast enkele bekwame administratieve krachten een team van 6 educatieve medewerkers (3,7 VTE) en een twintigtal freelancers. Zij specialiseerden zich  in het begeleiden van mensen en groepen  in veranderings- en beslissingsprocessen, interculturele dialoog, leiderschap, conflictbeheersing en ‘cocreatie’ – het superlatief van participatie.

Stichting Lodewijk de Raet besliste in 2013 om die gespecialiseerde vormingsactiviteiten een andere roepnaam te geven, die een brede markt kan aanspreken. Dat is enerzijds een noodzaak: de subsidies zijn ontoereikend. Maar het is ook een statement, een publiek standpunt: niet alleen in de brede samenleving, maar ook in overheidsinstellingen, bedrijven, onderwijs, ziekenhuizen, enzovoort… kan je als sociaal-culturele organisatie werk maken van kwaliteitsvolle participatieprocessen. Cocreatie is bijvoorbeeld een vorm van participatie die zowel mensen, organisaties en samenleving ten goede komt. Cocreatie heeft immers als effect: breed gedragen besluiten en plannen van aanpak voor de complexe uitdagingen van vandaag. 

Na een breed consultatieproces kwam “Kwadraet” uit de bus.

Stichting Lodewijk de Raet blijft echter meer dan een vormingsinstelling in decretale zin. Het is een stichting van openbaar nut, die in haar statuten de opdracht heeft van een volkshogeschool: een waaier van activiteiten opzetten die mensen betrekken bij economische ontwikkelingen, politieke en culturele evoluties.
In 2014 start de opmaak van het nieuw beleidsplan 2016-2020. En dat zal – naar goede traditie – een breed participatief proces zijn van velen….


1 Over de oprichtingsfase is ook een uitgebreidere tekst met literatuurverwijzing digitaal beschikbaar. Die tekst werd opgemaakt in 2002 bij de viering van 50 jaar Stichting Lodewijk de Raet.  Die tekst bezorgen we u op eenvoudig verzoek.